Tien jaar later, in 1986, was Cruijff trainer van Ajax. Het ging in het begin niet goed, maar dat kon hem niets schelen. Alles heeft tijd nodig. En toen was daar dat wonderbaarlijke seizoen 1986-1987 waarin we Europees gezien voor de jaren tachtig bovenmaats goed speelden. Iedere wedstrijd beet hij op lippen bezorgd kijkend of ze het wel zouden halen. Tot Ajax - Malmö, mijn eerste Europese thuiswedstrijd. Gaandeweg de wedstrijd viel er iets van hem af. Zorgen. Frustraties. Ellende van de voorgaande jaren, waarin het soms niet slecht was, maar ook niet altijd even goed. Ontlading bij de winst; nog meer ontlading thuis op de bank toen we de finale van Lokomotiv Leipzig wonnen. Toen vertrok Cruijff, maar de toon was gezet. Beenhakker, Van Gaal en Olsen hebben ervoor gezorgd dat hij bleef lachen. Wouters, Adriaanse, Blind, Ten Cate, Van Basten en Jol veroorzaakten soms een glimlach, maar vaker een diepe zucht.
Gisteravond zat ik diep te zuchten toen we samen naar Ajax - Dortmund keken. Mijn vader, grijs en breekbaar, vroeg me waarom ik zo zuchtte. Ik wees naar de televisie en maakte een enorm vraagteken van mijn gezicht, voor zover dat mogelijk is. Hij haalde zijn schouders op. Het komt wel goed, zei hij. Niet vanavond, niet dit jaar, maar er zijn dingen in beweging gezet zoals Cruijff dat vroeger ook deed. de voetbalwereld is veranderd, dus het duurt veel langer en het zal nog wel even duren, denk ik. Weet je nog, toen, met Ivic?
De rest van de wedstrijd heb ik uitgezeten zonder me druk te maken.
RSS Feed